Jelte over het wat en waarom van een barokorkest
In de beginfase van de cantatediensten werkten we met musici die ‘moderne’ instrumenten bespeelden. Veel studenten die ik van het conservatorium kende en leden van het NNO namen daaraan deel.
Na een aantal jaren voelde ik steeds meer de behoefte, zeker ook vanwege mijn eigen muzikale ontwikkeling, om met musici te werken die opgeleid zijn en affiniteit hebben met de barokmuziek, om op die manier zo dicht mogelijk bij de stijl en bedoeling van de componist te komen. Zij volgden veelal hun studie aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag, waar een speciale, wereldwijd vermaarde afdeling oude muziek bestaat. Hun ervaring, kundigheid en nieuwsgierigheid op het gebied van de barokke uitvoeringspraktijk is inspirerend en maakt dat we snel tot een gewenst niveau komen. Immers, de repetitie met de instrumentalisten vindt alleen in de middag van de cantatedienst plaats en binnen twee uur moet de Bachcantate (of een ander werk) tot klinken worden gebracht. Dan zijn musici en solisten die gepokt en gemazeld zijn in de barokstijl wel een pré.
De instrumenten die zij bespelen zijn veelal kopieën uit de periode van de barok en zijn qua bouw, vorm en materiaal anders dan de huidige. Zo spelen de strijkers op darmsnaren en met een lichte stok. Blaasinstrumenten zoals de hobo en de traverso zijn van hout of (ooit) ivoor en hebben geen kleppen maar gaten zoals bij de blokfluit. Koperblazers spelen zonder ventielen, slechts gaten en de speler haalt de tonen uit de boventonenreeks. Deze kenmerken leveren een lichte en subtiele klank op wat maakt dat de orkestklank naadloos en natuurlijk aansluit bij de menselijke stem van koor en solozangers. Tenslotte is er nog de toonhoogte, die is een halve toon lager dan de huidige en komt overeen met de destijds algemeen gebruikelijke hoogte; A=415Hz. Alles bij elkaar leveren deze aspecten een klankbeeld dat recht doet aan de bedoeling van de barokcomponist.
Helmut Riebl, vaak concertmeester in het barokorkest van de cantatediensten.
BAROKVIOOL
De viool viert rond dit decennium haar 500e verjaardag. In die tijd heeft ze grote veranderingen meegemaakt, en die gaan we even tot en met het eind van de barokperiode volgen. Een viool is in principe een fusie uit drie instrumenten, de lira da bracchio, de fiedel en de rebec. Vereenvoudigd gezegd: Van de ene krijg de viool haar krachtige stem, van de tweede haar consequente stemming in kwinten en van de derde haar robuuste bouwwijze. Het doel was een nieuw instrument te creëren dat zijn stem in een ensemble kon laten gelden, doordringend dansmuziek kon spelen en tenslotte zangers goed kon steunen (oftewel cantabile kon spelen). Deze drie karakteristieke kenmerken zijn de viool gebleven hoewel ze in de loop der tijden wel grote veranderingen heeft gezien. Tijdens de Renaissance was haar karakter heel vocaal met het beste register in het midden, dus helemaal in overeenstemming met de 16de eeuwse esthetiek met een wat dunnere bas respectievelijk bovenregister. Pas tijdens de 17de eeuw werd de viool haar eigen solistische rol toegewezen (eerst in Italië en vervolgens in veel andere landen). Daarom werd het noodzakelijk om de registers uit te breiden en de klank te egaliseren. De basbalk (die de onderkant versterkt) werd naar links onder de laagste snaar (de G) verschoven en er werd heel veel met snaren geëxperimenteerd tot de viool aan het eind van dezelfde eeuw helemaal klaargestoomd is voor haar nieuwe rol als soloinstument par excellence. Met een omsponnen G-snaar (en later ook de volgende twee snaren), een kam met een hogere curve om op elke snaar met volle kracht te kunnen spelen en kleine binnendetails die door de bouwers van de gouden periode (ca.1660-1720) steeds verder zijn ontwikkeld is de viool nu op het hoogtepunt van haar ontwikkeling aangekomen. Een hoofdkenmerk van een goede barokviool is dat zij meer boventonen produceert wanneer ze met meer druk wordt bespeeld – dus precies het tegenovergestelde van de moderne viool. Ook is de bouwwijze met een korte toets en licht staartstuk volledig op goede resonantie gericht. Later komen er nog meer veranderingen maar die gaan wederom in een andere richting en de klank van dit instrument wordt vervolgens donkerder, breder en luider (vooral op de hoogste snaar) maar ook minder rijk aan boventonen.
Vincent van Ballegooien, vaak hoboïst in ‘ons’ barokorkest, over de barokhobo, met aandacht voor de Oboe d’amore (recht) en de Oboe da Caccia (krom)
Men gaat er vanuit dat de hobo of de hautboys zoals ze die vroeger noemden ontwikkeld is uit de schalmei, in Frankrijk, in de tweede helft van de zeventiende eeuw. De schalmei was, en is, net als de hautboys, een dubbelriet-blaasinstrument met een conische boring. De schalmei was een luid klinkend instrument, beperkt qua omvang en speelbare toonsoorten. De hautboys was waarschijnlijk een succesvolle poging om dit instrument te temperen zodat het, zonder de oren van de aanwezigen te zeer te belasten, binnenskamers bespeeld kon worden. Bovendien werd hij zodanig gebouwd dat hij een grotere toonomvang kreeg en meer toonsoorten kon bestrijken. Wel nog, zoals we gewend zijn op de hedendaagse hobo, zonder veel kleppen.
Werd hij in het begin alleen gebouwd als discant instrument, voor de hoge stemmen, later werden ook andere stemmingen gemaakt, zoals de Oboe d’amore die een terts lager klinkt en de (alleen bij J.S. Bach voorkomende) Oboe da Caccia die een kwint lager klinkt. Dat deze laatste een metalen beker heeft komt waarschijnlijk doordat de oorspronkelijke maker, Johann Heinrich Eichentopf, ook koperblaasinstrumenten bouwde en het wellicht praktischer was zo’n grote beker van messing te maken in plaats van hout. De kromme vorm was ook een praktische oplossing voor de grote lengte waardoor het haast onmogelijk was om met je handen bij de gaten te komen. De Caccia waar ik vanmiddag op speel is een copie daarvan. Mijn hautboy is een copie van een hobo van de engelse hobobouwer Stainesby gemaakt door Marcel Ponseele
De moderne hobo, de twintigste eeuwse, klinkt in vergelijking met de barokversie dan weer luider en speelt wat stugger zodat de voor het barokke repertoir gewenste artikulaties, het uitspreken van de noten, veel lastiger zijn uit te voeren. Maar door het toepassen van een negentiende eeuws kleppensysteem was het wel mogelijk in haast alle toonsoorten makkelijk te spelen en ook hoger te komen qua omvang. Wel mooi in grotere concertzalen en in symfonisch repertoire natuurlijk. Maar er gaat niets boven een oude hautboys in een kerk.
