De Psalmensymfonie ontstond uit een verzoek om een symfonisch werk voor het vijftigjarig bestaan van de Boston Symphony Orchestra o.l.v. Sergej Kussevitzky en ging in december 1930 in première. De oorspronkelijke instrumentatie omvat 34 partijen/instrumenten, merendeels enkelvoudig bezette blazers, tevens twee piano’s maar – opmerkelijk genoeg – geen hoge strijkers, celli en contrabassen voegde hij wel toe.
Op het titelblad van de partituur schrijft Stravinsky: ‘Cette symphonie composée à la gloire de Dieu est dédiée au Boston Symphonie Orchestra à l’occasion du cinquantenaire de son existence’.
Het stuk geldt als één der eerste en karakteristieke voorbeelden van Stravinsky’s neoclassicisme, de twintigste-eeuwse stroming die zijn inspiratie zocht in het pré-romantische muzikale verleden van West-Europa: de Weense klassieken, de barok en de renaissance. Tonaliteit, evenwichtige vormen en heldere structuren, soberheid en emotionele afstandelijkheid worden gecombineerd met typisch 20ste-eeuwse idiomen zoals veel dissonanten, chromatiek, grillige ritmiek en kruidige harmonieën.
De Psalmensymfonie is een religieus maar niet liturgisch werk: een antieke lofzang in neoklassieke vorm, een on-emotionele en onpersoonlijke geloofsuiting en geen lyrische expressie van individuele religieuze gevoelens of ervaringen, en daarin dus meer oosters-Byzantijns dan westers-individualistisch geïnspireerd. Het is, aldus Stravinsky, ook geen symfonie waarin psalmteksten worden gezongen, maar het symfonisch zingen van de psalmen zelf. Het stuk doet ook geen pogingen tot uitbeelding van de betekenis van tekst; de tekst wordt (zoals vooral in het laatste deel blijkt) zelfs ontdaan van zijn gesproken eigenschappen als klemtonen en accent, de tekst zelf is het symbool, dat niet ook nog hoeft te worden uitgebeeld. Sterker nog, Stravinsky zette zich duidelijk af tegen de manier waarop componisten de psalmteksten muzikaal vormgaven. Hij vond dat ze, dat geldt vooral voor Psalm 150, de ‘magistrale tekst misbruikt hadden als kapstok voor hun eigen lyrisch-sentimentele ‘gevoelens’.
Koor en orkest (nu piano) worden in het stuk behandeld als twee gelijkwaardige ensembles, geen van beide heeft een verdubbelende of begeleidende rol. Het werk is veeleer hoog-barok dan klassiek, wat met name blijkt uit de door Bach geïnspireerde dubbel-fuga als middendeel. Poulenc karakteriseerde de Psalmensymfonie als ‘een werk zonder grootspraak’, ‘een werk van vrede’ en eindigde zijn recensie met de woorden ‘Ik groet u, Jean-Sébastien Stravinsky’. De musicoloog Casper Höweler noemt het na de laat-romantische expressieve overkill van o.a. Wagner en Mahler een stuk van een ‘monumentale ascese’.
Het werk bestaat uit drie delen die zonder onderbreking moeten worden uitgevoerd. De psalmteksten zijn ontleend aan de oude latijnse (Vulgaat-)vertaling:
- Prelude: Psalm 39:13-14
- Double Fugue: Psalm 40:2-4
- Allegro symphonique: Psalm 150
De teksten zelf reeds verraden een overkoepelende structuur: in antwoord op het gebed van Deel l geeft de Heer in Deel 2 een nieuw lied dat tenslotte in Deel 3 wordt aangeheven. Ook is er een strakke thematische of motivische samenhang die over alle drie de delen heen grijpt: vrijwel alle motieven zijn afgeleid van slechts één melodische kiemcel van vier tonen: twee kleine tertsen, gescheiden door een grote: b, d, bes, cis.
1.PRÉLUDE, Psalm 39:13-14, het kortste deel, een gebed vanuit een troosteloze situatie. Na instrumentale arpeggio-figuren introduceren de alten de tekst als een klaaglijke lamentatie in kleine secunden, begeleid door de vier-noten kiemcel, als ostinate (herhalende) figuur: een sombere processie.
Exaudi orationem meam, Domine,
et deprecationem meam.
Auribus percipe lacrimas meas. Ne sileas, ne sileas.
Quoniam advena ego sum apud te et peregrinus,
sicut omnes patres mei.
Remitte mihi, ut refrigerer
prius quam abeam et amplius non ero.
Hoor mijn gebed, Heer,
luister naar mijn hulpgeroep
wees niet doof voor mijn verdriet,
want een vreemdeling ben ik, bij u te gast
zoals ook mijn voorouders waren.
Wend uw straffende blik van mij af,
dan beleef ik no vreugde
voordat ik heenga en niet meer ben
Psalm 39, 13-14
2.DOUBLE FUGUE, Psalm 40:2-4, in een sfeer van opluchting en zekerheid: de meest ordelijke muziek: direxit gressus meos, hij richtte mijn schreden: een dubbelfuga in de stijl van Bach, in vier delen: 1. Een lange, vierstemmige instrumentale fuga op het eerste thema van vijf maten dat is afgeleid van de vier-notenkiemcel. 2. Het koor introduceert een tweede fuga-thema van vier maten, in de volgorde sopraan, alt, tenor, bas terwijl de piano de eerste fuga vervolgt. 3. Na een kort intermezzo van tenoren en bassen volgen twee stretto’s (elkaar snel opvolgende inzetten), reeksen overlappende thema inzetten, eerst door het koor en dan door de piano.- 2- 4. Et immisit, door allen tegelijk, homofoon en fortissimo: ‘een nieuw lied’ klinkt hier op een barok gepunkteerd ritme. Het slot is vocaal unisono en plotseling piano, terwijl de bas in de begeleiding de kop van het eerste thema herhaalt.
Exspectans exspectavi Dominum,
et intendit mihi.
Et exaudivit preces meas;
et eduxit me de lacu miseriae,
et de luto faecis.
Et statuit super petram pedes meos:
et direxit gressus meos.
Et immisit in os meum canticum novum, carmen Deo nostro.
Videbunt multi, videbunt et timebunt:
et sperabunt in Domino.
Vol verlangen heb ik op de Heer gewacht
en hij boog zich naar mij toe,
hij heeft mijn roep om hulp gehoord.
Hij trok mij uit de kuil van het graf,
uit de modder, uit het slijk.
Hij zette mij neer op een rots,
een vaste grond voor mijn voeten.
Hij gaf mij een nieuw lied in de mond,
een lofzang voor onze God.
Mogen velen het zien vol ontzag
en vertrouwen op de Heer.
Psalm 40, 2-4
3.ALLEGRO SYMPHONIQUE, Psalm 150, de psalm die zoveel componisten tot uitbundige toonzettingen verleidde. Maar Stravinsky begint met een gefluisterd Alleluia en een devoot Laudate dat aan het eind zal worden herhaald, als was het een gebedsformule. ‘God moet niet met snelle muziek en forte worden geprezen’. Na een wervelend intermezzo herinnert de ‘lamentatie’ van het koor aan Deel l. De ongemakkelijke klemtonen in het hiernavolgende Laudate Dominum getuigen van het feit dat Stravinsky aanvankelijk de kerk-Slavische tekst Gospodi pomiluy gebruikte, maar tevens van zijn opvatting dat het muzikale ritme niet ondergeschikt behoort te zijn aan de tekst als ‘puur fonetisch materiaal’. Na een nieuw, onstuimig instrumentaal intermezzo klinkt het Laudate eum als canon tussen sopranen en bassen. Het slot is wellicht het meest expressieve gedeelte en leidt naar het pianissimo einde.
Alleluia.
Laudate Dominum in sanctis Ejus.
Laudate Eum in firmamentis virtutis Ejus.
Laudate Dominum. Laudate Eum in virtutibus Ejus
Laudate Eum secundum multitudinem magnitudinis Ejus.
Laudate Eum in sono tubae.
Laudate Eum. Alleluia. Laudate Dominum. Laudate Eum.
Laudate Eum in tympano et choro,
Laudate Eum in chordis et organo;
Laudate Eum in cymbalis benesonantibus;
Laudate Eum in cymbalis jubilationis.
Laudate Eum, omnis spiritus laudet Dominum.
Alleluia.
Halleluja!
Loof God in zijn heilige woning,
loof hem in zijn machtig gewelf,
loof hem om zijn krachtige daden,
loof hem om zijn oneindige grootheid
Loof hem met hoorngeschal,
loof hem met harp en lier,
loof hem met dans en tamboerijn
loof hem met snaren en fluit.
Loof hem met klinkende bekkens,
loof hem met slaande cimbalen.
Alles wat adem heeft, loof de Heer.
Halleluja!
Psalm 150
De toelichting is geschreven door Eduard van Hengel, ik ben zo vrij geweest deze aan te passen en enkele zaken toe te voegen.
Jelte Hulzebos