De vijfde Paaszondag, genaamd Cantate (‘Zingt’), vormt de aanleiding voor de programmering van Cantate Dominum canticum novum van Arvo Pärt en cantate 166 Wo gehest du hin? van Johann Sebastian Bach, die voor het eerst werd uitgevoerd op 7 mei 1724 in Leipzig. De naam ‘Cantate’ verwijst naar de introïtuspsalm van deze zondag: ‘Zingt de Heer een nieuw lied’ (Psalm 98). Het Pater Noster van Igor Stravinsky geeft de koorzang daarbij een expliciet liturgisch karakter.
Centraal staat Bachs cantate. De voorgeschreven evangelielezing volgens het lutherse leesrooster is Johannes 16, waarin Jezus zegt: ‘Nu ga ik weg naar Hem die Mij gezonden heeft, maar niemand van u vraagt: “Waar gaat U naartoe?”’ De anonieme dichter van de cantate citeert de slotwoorden: Wo gehest du hin? Daarmee wordt de luisteraar echter op het verkeerde been gezet. Strikt genomen betreft het de zogenoemde Vox Christi (de stem van Christus), die volgens de traditie door een bas wordt gezongen. Doordat Jezus zelf de vraag stelt, krijgt deze echter een existentiële lading: als ware zij gericht tot de mens—waar ga je heen?
De librettist geeft daarop een tweedelig antwoord. In de eerste helft van de cantate, afgesloten met koraal (3), wordt de blik op de hemel gericht; in het tweede deel, tot en met het slotkoraal (6), staat het afzien van wereldse geneugten centraal.
Muzikaal valt in het openingsdeel op dat de tekst beknopt is en dat zangers en instrumentalisten geen gezamenlijk thematisch materiaal delen. Bovendien eindigt het woord hin nooit op de grondtoon, waardoor een gevoel van openheid blijft bestaan: wohin? Het tweede deel van de cantate kon worden gereconstrueerd dankzij een in 1842 ontdekt orgeltrio; de musicoloog Alfred Dürr maakte hiermee een plausibele aanvulling van de ontbrekende stem.
Bijzonder is voorts de koraalbewerking (3) op een lied van Bartholomäus Ringwaldt (1582), voor sopraan, strijkers en continuo, die verwantschap vertoont met Bachs orgelkoralen uit de zogenoemde Schübler Choräle. Aan het begin van deze dienst klinkt deze bewerking op orgel. Het daaropvolgende recitatief (4) vormt de opmaat tot een levendig en dansant deel (5), dat muzikaal bruist van levensvreugde, terwijl de tekst juist waarschuwt: ‘Man nehme sich in acht, wenn das Gelücke lacht.’ In deze ogenschijnlijk lichte vorm wordt een serieuze morele boodschap overgebracht. De cantate besluit met de eerste strofe van Wer weiß, wie nahe mir mein Ende (1688) van Amelie Juliane von Schwarzburg-Rudolstadt, op de melodie van Wer nur den lieben Gott lässt walten. De harmonisatie is daarbij opvallend eenvoudig.
Met dezelfde aanhef als de introïtus—Cantate Dominum canticum novum—zet Arvo Pärt een groot deel van Psalm 96 op muziek in zijn kenmerkende tintinnabuli-stijl. Deze door hemzelf ontwikkelde stijl combineert gebroken drieklanken (hier in het orgel) met toonladdermatige beweging, wat een klankwereld oproept die doet denken aan klokgelui (tintinnabuli betekent ‘klokjes’).
Ook het Pater Noster (1926) van Igor Stravinsky is van beknopte duur. Oorspronkelijk gecomponeerd in het Kerkslavisch voor gebruik in de Russisch-orthodoxe liturgie, klinkt het werk verstild in vergelijking met zijn meer ritmisch-expressieve composities. In 1949 verscheen een herziene versie in het Latijn.
Tot besluit van deze cantatedienst klinkt de grote Toccata in F van Johann Sebastian Bach, die het feestelijke karakter van deze vijfde Paaszondag onderstreept.
Mannes Hofsink