Toelichting Cantate BWV 21

Cantate BWV 21 ‘Ich hatte viel Bekümmernis’ is zowel qua lengte als bezetting groots opgezet. Strijkers, hobo, fagot, drie trompetten, pauken, orgel, solisten en koor worden ingezet in veelkleurige combinaties die Bachs meesterschap tonen om tekst en muzikale verbeelding samen te smelten tot een meesterwerk.

De ontstaansgeschiedenis van de cantate is onduidelijk. Er zijn aanwijzingen dat de eerste versie geklonken heeft in 1713, bij Bachs sollicitatie naar de post van organist van de Marktkirche in Halle. De cantate is zeker in Weimar uitgevoerd in 1714 op de 3de zondag na Trinitatis, maar vanwege de vermelding op de omslag van de originele koorpartijen ‘per ogni tempo’, zijn de momenten waarop het uitgevoerd kan worden ruimer. Bach heeft het werk nog enkele malen uitgevoerd, onder andere in 1723 in Leipzig en Hamburg.

De cantate heeft tussendoor vele veranderingen doorgemaakt, wat betreft toonhoogte, wisseling van solo bezetting en latere toevoe­ging met trombones in de koordelen. De aria’s die in eerste instan­tie geschre­ven waren voor sopraan werden deels vervangen door tenora­ria’s.

Het centrale thema van de cantate is de tekst van de Epistelle­zing voor de 3de zondag na Trinitatis, 1 Petrus 5: 6-11: ‘Werpt al uw bekom­mernis op Hem, Hij zorgt voor u’.

Wie de cantatetekst heeft geschreven is onbekend en mede door het feit dat de cantate door de jaren heen meermalen werd gewijzigd blijft dit onzeker. Een mogelijke dichter is Salomo Franck. Een aanwij­zing hiervoor is de dialoog tussen Jezus en de ziel in de delen 7 en 8, een door Franck vaker gebruikte vorm.

Naast poëzie worden ook vele Bijbelteksten aangehaald:
deel 2: Ps 94: 19, ‘Bij de veelheid van mijn gedach­ten in mijn binnen­ste verkwik­ten uw vertroos­tingen mijn ziel’
deel 6: Ps 42: 12, ‘Wat buigt ge u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn verlos­ser en mijn God!’
deel 9: Ps 116: 7,  ‘Keer weder mijn ziel, tot uw rust, omdat de Here u heeft welge­daan’
deel 11: Openb.5: 12-13, ‘Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterk­te, en de eer en de heer­lijkheid en de lof’

 

De cantate bestaat uit de volgende delen:

  1. Sinfonia
    De cantate begint met een dialoog tussen de hobo en de eerste viool en treft onmiddellijk de smartelijke toon van het werk.
  1. Chorus
    Na een herhaald ‘Ich’ begint een koorfuga op een thema dat veelvuldig door Bach en zijn tijdgenoten is gebruikt. De vele herhalingen van het thema benadrukken de Bekümmernis, evenals de dissonant (secunde) die ontstaat als een volgende stem het thema inzet.
    Na het woord ‘aber’ (adagio) volgt een omslag in tekst en muziek (vivace): ‘deine Tröstungen erquicken meine Seele’.
  1. Aria
    In de rol van de ‘Vox Anima’ bezingt de sopraan in een klaaglied haar ellende en verdriet, ‘Seufzer, Tränen, Kummer, Not’.  De hobo onderstreept de dramatische tekst op sublieme wijze.

4.5. Recitativo, Aria
In het recitatief en de daarop volgende tenoraria staat het verwarde zoeken naar God en de onzekerheid centraal. Stormen en onstuimige zeeën, geliefde beeld­spraak in de barokpoëzie, verbeelden de zoektocht.

  1. Chorus
    Dit deel voor solistenkwartet en koor volgt de tekst van Psalm 42: 12. Alle voorgaande delen bevatten vele verwijzingen naar Psalm 42 en 43.

 

Nach der Predigt

7.8. Recitativo, Aria Duetto
In het door strijkers begeleid recitatief weet Bach op dramati­sche en doeltreffende wijze het contrast tussen licht en donker te onderstrepen. Het duet van sopraan en bas, dat door het continuo begeleid wordt, is een dialoog tussen de met twijfel vervulde ziel, ‘Vox Anima’ en de liefdesverklaring van Jezus, ‘Vox Christi’.

  1. Chorus
    Dit deel is opgezet als een koraalmotet, een geliefd genre in de vroege 17de eeuw. Strofe 2 en 5 van het lied ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’ worden ingebed in een kunstige koorfuga op de tekst van Psalm 116. Het deel heeft een duidelijk relatie met de epistellezing uit 1 Petrus 5: 6-11 : ‘Was helfen uns die schweren Sorgen…’ en ‘… denn der Herr tut dir Guts’.
  1. Aria
    Een zeer bewegelijke tenoraria waarin vreugde en opluchting na alle zorgelijkheid de overhand heeft.
  1. Chorus
    De vreugde die in de tenoraria is ingezet wordt in dit laatste deel op alle mogelijke muzikale manieren ver­beeld. De toonsoort is C-Majeur, een majestueuze en feestelijke toon­aard; solistenkwartet, koor, strij­kers, 3 trom­petten en pauken worden ingezet om het halle­luia te onder­strepen.

Jelte Hulzebos