Toelichting Cantate BWV 4

Bach componeerde op 22 jarige leeftijd deze cantate voor zijn sollicitatie als organist in de St. Blasi­us­kir­che in Mühlhausen. Op eerste Paasdag 24 april 1707, vond het proef­spel plaats èn werd deze cantate uitge­voerd. Het is een van de eerste canta­tes van zijn hand. Uit verschillende documenten blijkt wel dat Bach tussen 1703 en 1707, toen hij organist in Arnstadt was, al andere kerk­muziek had geschreven. Het componeren voor rouw- en trouwplechtigheden behoorde daar tot de taak van de organist.

Als basis voor cantate BWV 4 diende het Lu­ther­lied ‘Christ lag in Todes Banden’ (1524), gezang 618 Liedboek. Luther baseerde de koraalmelodie op de Gregoriaan­se paas-sequens ‘Victimae paschali laudes’. Veel van de door hem gemaakte liederen vinden hun oorsprong in het Gregori­aans.

BWV 4 is een koraalcantate, wat wil zeggen dat alle strofen van het lied zijn bewerkt (per omnes versus), vergelijk­baar met koraalva­riaties in de orgelliteratuur. De koraalcantates van Buxtehude en Pachelbel hebben Bach als voorbeeld gediend.

De voorgeschreven bezetting is een vijfstemmig strij­kersensem­ble en koor. In een latere versie van deze cantate (Leipzig, 1725) wordt een grotere instrumen­tale bezetting voorgeschre­ven. Aan het strij­kersensemble worden dan een zink en drie trombo­nes toege­voegd om de koorpartijen

te versterken. De tekst van de cantate verwijst naar verscheidene Bijbelteksten waar sprake is van het lijden van Christus en de overwinning op de dood.

Bach ziet het vierde couplet ‘Es war ein wun­derli­cher Krieg’ als kern van de koraaltekst en geeft daarmee de cantate de volgende symmetrische opbouw:

Sinfonia

vers 1: koor, vers 2: duet, vers 3: solo
vers 4: koor
vers 5: solo, vers 6: duet, vers 7: koor.

De middelen die Bach aanwendt om de tekst te verbeelden zijn in deze cantate tamelijk sober maar tonen juist daardoor zijn onna­volgba­re meesterschap.

Een voorbeeld hiervan hoort u in vers 3: ‘All sein Recht und sein Gewalt; Da bleibet nichts denn Tods Gestalt‘. Op het woord ‘Gewalt’ spelen de viool I en II ruw klinkende dubbelgrepen en het continuo snelle zes­tiende noten.
Op ‘nichts’ zwijgen alle stemmen en bij de woorden ‘Tods Gestalt’ staat de tempo-aan­dui­ding Adagio, zeer rustig. Er heerst hier dan ook een stati­sche rust gekleurd door een droefgeestige harmonie.

Jelte Hulzebos