Musicalische Exequien, Heinrich Schütz (1585 – 1672)
Heinrich Schütz werd op 14 oktober 1585 in Köstritz bij Gera in Thüringen geboren en stierf op 6 november 1672 op 85 jarige leeftijd in Dresden, waar hij 55 jaar (!) als kapelmeester aan het Saksische hof in Dresden werkzaam was.
De Musicalische exequien (lat. exsequiae = uitvaart) SWV 297-281 werden in 1636 in opdracht van graaf Heinrich Posthumus Reuß voor diens begrafenis geschreven. Heinrich Reuß was een zeer ontwikkeld man en bekwaam bestuurder met veel aandacht voor kunst en cultuur. Hij studeerde in Straatsburg en reisde veel.
In deze tijd van oorlogen (onder andere de dertigjarige) en ziekten zoals de pest die veel slachtoffers eisten, was het niet ongebruikelijk om vooruit te zien naar de dood en je begrafenis voor te bereiden.
Zo had Heinrich Reuß zijn begrafenis tot in detail voorbereid. Hij had een koperen grafkist laten vervaardigen, waar op het deksel en op de zijden bijbel- en liedteksten waren gegraveerd.
Schütz kreeg de opdracht deze teksten van muziek te voorzien. In de Musicalische Exequien volgde hij de gegraveerde teksten volledig en schreef daarmee een omvangrijk, indringend en troostrijk werk. Ook een onbevangen luisteraar zal de expressiviteit van deze muziek niet ontgaan maar voor een beter begrip van de componeerstijl is het goed te weten dat elke noot, elk ritme en de harmonieën in dienst staan van de tekst volgens de regels van de retorica. De componist vertaalt en kleurt de tekst met de destijds gebruikelijke muzikale middelen. Luisteraars van 390 jaar terug kenden deze taal. Voor ons is dat anders, daarom benoem ik hier de meest in het oor springende elementen:
Schütz schrijft dissonanten op woorden met een negatieve lading zoals zonde of dood, hoog klinkende passages voor de hemel en lage voor de aarde. Het woord leven heeft snelle bewegelijke notenwaarden, sterven daarentegen heeft statische lange notenwaarden.
In het laatste deel staan de beide solo-sopranen symbool voor de engelen in de hemel, de bas vertolkt de stem van de gestorvene.
Het werk omvat drie delen:
- ’Concert in Form einer teutschen Begräbniß-Missa’
Dit deel heeft de vorm van een Lutherse mis met een Missa Brevis bestaande uit het Kyrie en Gloria.
Kenmerkend is de wisselwerking tussen de verschillende teksten; het ene tekstdeel parafraseert of becommentarieert het andere.
Het door het koor driemaal aangeheven Kyrie wordt ingeleid door solistisch gezongen kernwoorden uit de bijbel.
Het Gloria bestaat uit negen Bijbelteksten (soli), afgewisseld door acht liedstrofen die zesstemmig door het koor, de ‘Capella’ worden gezongen.
De solistische delen hebben een sterke overeenkomst met de door Schütz in hetzelfde jaar gecomponeerde ‘Kleine geistlichen Konzerte’.
- In het tweede deel van de Musicalische Exequien, het begrafenismotet ‘Herr, wenn ich nur dich habe’ is de invloed van Gabrieli, bij wie Schütz studeerde, evident. De hier aangewende dubbelkorigheid die Gabrieli in de San Marco te Venetië ontwikkelde is daarvan een voorbeeld.
- Het laatste deel van de Musicalische Exequien is gebaseerd op de Lofzang van Simeon, ‘Herr, nun lässest du deinen Diener in Friede fahren‘. Deze tekst wordt door vijfstemmig koor gezongen.
Drie solozangers, namelijk de twee sopranen en de bas (Jaap de Wilde), zingen daarbij de tekst uit Openbaringen 14:13 ‘Selig sind die Toten die in dem Herren sterben’. Schütz geeft hierbij de regie-aanwijzing ‘in die Ferne geordnet’.
De beide sopranen verbeelden twee serafijnen die de heilige ziel van de gestorvene -door de bas gesymboliseerd- naar de hemel leiden, of zoals Schütz het omschrijft: ‘… die Freude der abgeleibten Seligen Seelen im Himmel / in gesellschaft der Himmlischen Geister und Heiligen Engel in etwas einführen und andeuten wollen’.
Jelte Hulzebos