Vandaag klinkt de Psalmensymfonie van Igor Stravinsky in een versie voor koor en vierhandig piano van de hand van Dmitri Sjostakovitsj. Veel van de werken van Stravinsky zijn voor piano bewerkt met toestemming van de componist, zo ook dit werk. Dat geeft ons de gelegenheid om dit meesterwerk uit de 20ste eeuw uit te voeren. Ondanks de pogingen van Stravinsky om de psalmteksten met een zekere nuchterheid te toonzetten heeft het een enorme emotionele diepgang en intensiteit.
IGOR STRAVINSKY (1882 – 1971) SYMPHONIE DE PSAUMES (1930).
De Psalmensymfonie ontstond uit een opdracht van het Boston Symphony Orchestra o.l.v. Sergej Kussevitzky om een symfonisch werk te componeren voor hun vijftigjarig bestaan en ging in decem-ber 1930 in première. De oorspronkelijke instrumentatie omvat 34 partijen/instrumenten, merendeels enkelvoudig bezette blazers en tevens twee piano’s, maar opmerkelijk genoeg geen hoge strijkers. Celli en contrabassen voegde hij wel toe. Op het titelblad van de partituur schrijft Stravinsky: ‘Cette symphonie composée à la gloire de Dieu est dédiée au Boston Symphonie Orchestra à l’occasion du cinquantenaire de son existence’.
Het stuk is een voorbeeld van Stravinsky’s neoclassicisme, de twintigste-eeuwse stroming die zijn inspiratie zocht in het preromantische muzikale verleden van barok en Renaissance. Dit blijkt onder andere uit de duidelijk door Bach geïnspireerde dubbel-fuga in het tweede deel.
Het werk heeft een heldere structuur waarin soberheid wordt gecombineerd met een typisch 20ste-eeuws idioom met veel dissonanten, chromatiek, grillige ritmiek en kruidige harmonieën. De musico-loog Casper Höweler noemt het na de laat-romantische expressieve overkill van o.a. Wagner en Mah-ler een stuk van een ‘monumentale ascese’.
De Psalmensymfonie is een religieus maar niet een liturgisch werk. Het bevat geen lyrische expressie van individuele religieuze gevoelens of ervaringen. In die zin is het meer oosters-Byzantijns dan wes-ters-individualistisch geïnspireerd.
Het is aldus Stravinsky geen symfonie waarin psalmteksten worden gezongen, maar het betreft sym-fonisch zingen van de psalmen zelf. De tekst wordt ontdaan van zijn gesproken eigenschappen als klemtonen en accenten want hoeft niet ook nog te worden uitgebeeld. Sterker nog, Stravinsky zette zich duidelijk af tegen de manier waarop componisten psalmteksten muzikaal vormgaven. Hij vond dat ze -en dat geldt vooral voor Psalm 150- de ‘magistrale tekst misbruikt hadden als kapstok voor hun eigen lyrisch-sentimentele ‘gevoelens’.
Het werk bestaat uit drie delen die zonder onderbreking moeten worden uitgevoerd. De psalmteksten zijn ontleend aan de oude Latijnse (Vulgaat-)vertaling:
1. Prelude: Psalm 39:13-14
2. Double Fugue: Psalm 40:2-4
3. Allegro symphonique: Psalm 150
De teksten zelf verraden reeds een overkoepelende structuur: in antwoord op het gebed van Deel l geeft de Heer in Deel 2 een nieuw lied dat tenslotte in Deel 3 wordt aangeheven. Ook is er een strak-ke thematische samenhang die over alle drie de delen heen grijpt: vrijwel alle motieven zijn afgeleid van slechts één melodische kiemcel van vier tonen: twee kleine tertsen, gescheiden door een grote: b, d, bes, cis.
1. PRÉLUDE, Psalm 39:13-14
Dit is het kortste deel, een gebed vanuit een troosteloze situatie. Na instrumentale arpeggio-figuren introduceren de alten de tekst als een klaaglijke lamentatie in kleine secunden, begeleid door de vier-noten kiemcel, als ostinate (herhalende) figuur: een sombere processie.
2. DOUBLE FUGUE, Psalm 40:2-4
De geloofszekerheid die uit de psalmtekst spreekt heeft Stravinsky doen kiezen voor de vaste struc-tuur van de fuga in de stijl van Bach. 1. Een lange, vierstemmige instrumentale fuga op het eerste thema van vijf maten dat is afgeleid van de vier-notenkiemcel. 2. Het koor introduceert een tweede fuga-thema van vier maten, in de volgorde sopraan, alt, tenor, bas terwijl de piano de eerste fuga ver-volgt. 3. Na een kort intermezzo van tenoren en bassen volgen twee stretto’s (elkaar snel opvolgende inzetten), reeksen overlappende thema inzetten, eerst door het koor en dan door de piano.- 2- 4. Et immisit, eenstemmig en fortissimo: ‘een nieuw lied’ klinkt hier op een barok gepuncteerd ritme. Het slot is vocaal unisono en plotseling piano, terwijl de bas in de begeleiding de kop van het eerste thema herhaalt.
3. ALLEGRO SYMPHONIQUE, Psalm 150
Hier geen uitbundige toonzetting maar Stravinsky begint en eindigt de psalm met een fluisterend Al-leluia als was het een gebedsformule. Stravinsky zei hierover: ‘God moet niet met snelle muziek en forte worden geprezen’. De stilte wordt gevolgd door een wervelend intermezzo in de piano dat her-innert aan de ‘lamentatie’ in deel l. Het pulserende ritmisch vervolg met ongemakkelijke klemtonen op Laudate Dominum leidt tot een climax op de woorden ‘laudate eus in cordis et organo’. Hierna komt het in rustiger vaarwater en leidt naar het slot dat zondermeer het meest expressieve gedeelte is, om uiteindelijk pianissimo te eindigen.
Bovenstaande tekst is voornamelijk van Eduard van Hengel. Ik ben zo vrij geweest deze enigszins aan te passen en enkele zaken toe te voegen. Jelte Hulzebos